Joanne Meyboom
Directeur Joulz Greentec

Volgens Joanne Meyboom, specialist in duurzame oplossingen voor energie-infrastructuurvraagstukken, helpt het huidige subsidieklimaat ook niet erg. “Aan de andere kant kun je constateren dat als de subsidies verminderen of helemaal stoppen, de markt vanzelf creatiever gaat denken.

En we zullen wel moeten, aangezien onze fossiele brandstofvoorraad langzaam maar zeker opraakt. Hoewel Nederland dus verre van Europees koploper is op het gebied van windenergie, is er wel een gestage groei in het aantal windturbines en windparken. Daarmee neemt ook de vraag naar onderhoud en beheer toe. En wat te denken van de hoeveelheid ‘afgedankte’ exemplaren die de komende jaren een vlucht nemen? Recyclen is een optie, maar hergebruiken ook.

Zo ziet Meyboom oude, gebruikte windmolens op de stapel verdwijnen of ‘wegvliegen’ voor export naar landen als Tanzania, Gambia en Madagascar. “Prima. Maar het kan natuurlijk ook interessant zijn, maar vooral duurzamer en goedkoper, als we een deel daarvan zelf kunnen hergebruiken. Dit bracht ons op het idee om windmolens te laten reviseren en in te zetten voor hergebruik op eigen bodem.

Dubbel duurzaam, zogezegd. Onlangs hebben we een project opgezet om kleinere windturbines letterlijk nieuw leven in te blazen.” Er zijn al meerdere bedrijven, vooral bedrijfsterreinen, die belangstelling voor het concept tonen. “En dan hebben we het over de inzet van kleinere windturbines die gemakkelijk – tot vijfentwintig meter hoogte – geplaatst kunnen worden”, zegt Van Wijk.

Hiervoor is het ook makkelijker om een vergunning te bemachtigen. Bovendien zijn deze kleinere windturbines, al dan niet tweedehands, goedkoper in aanschaf. De onderhoudskosten zijn vaak wel wat hoger dan bij nieuwe windmolens. Toch is per saldo het hergebruik van windmolens winstgevend.”

Knop omzetten

Na revisie gaan gebruikte windmolens zo’n vijftien tot twintig jaar mee. En ook in Nederland maken nu aardig wat boerderijen gebruik van tweedehands windmolens. Deze zitten vaak ‘achter’ de hoofdmeter, zodat de boeren zelf in hun energie kunnen voorzien. Maar dat bedrijven dergelijke turbines inzetten komt volgens Meyboom nog niet of nauwelijks voor. Het is volgens haar ook een kwestie van de ‘knop’ omzetten.

Na revisie gaan gebruikte windmolens zo’n vijftien tot twintig jaar mee.

“In Nederland willen we met z’n allen nog wel eens vast blijven zitten in allerlei procedures, bestemmingsplannen en vergunningenstelsels. Juist door de inzet van kleinere, al dan niet tweedehands, windmolens wordt het voor bedrijven een stuk makkelijker om dergelijke molens te plaatsen. Er zit absoluut groeipotentie in het hergebruik van kleinere windmolens. Maar het concept moet nog gaan leven.”

Niet alleen ‘groen’ praten

Uiteindelijk gaat het op alle niveaus, van kleinschalige projecten tot grootschalige onshore en offshore windparken, om (financieel) draagvlak. Meyboom: “Iedereen kent de aanblik van windmolens waarvan er vier draaien en één niet. Dat is niet alleen zonde, maar wekt ook irritatie op bij mensen. Het draagvlak voor windenergie neemt daardoor af. Het is dus zaak om storingen zo snel mogelijk te verhelpen.

Bij offshore projecten speelt vooral de uitdaging om windparken ‘goedkoper’ te kunnen bouwen. Het werken op zee maakt het erg kostbaar. Transport maakt vaak al 30 procent uit van de totaalsom van hoogspanningsstations. En hoogspanningsstations bouwen doen we al jaren. Waarom dan niet op zee? Maar dan moeten we ook kijken naar efficiënte manieren van transport.

Hetzelfde geldt voor het leggen van kabels. Hierbij moet gebruik gemaakt worden van boten die schaars zijn. Momenteel bekijken we alternatieve manieren van het aanleggen van kabels, waarbij er minder afhankelijkheid is van gespecialiseerde schepen. Als je parken met elkaar kunt verbinden via kabels en vandaar uit naar het land gaat, kun je ook al besparen op de bouwkosten.Toch moeten we niet alleen maar kijken naar de kosten. We moeten kijken wat het ons allemaal oplevert. Niet alleen ‘groen praten’, maar ook ‘groen doen’.”