Martijn Broekhof

Hoofd Klimaat en Energie bij VNCI

De chemische industrie is al sinds het Kyoto Protocol uit 1997 betrokken bij het klimaatbeleid. “Sindsdien is veel bereikt”, aldus Broekhof. “De chemische output is verdubbeld en de uitstoot van broeikasgassen gehalveerd.”

Gezamenlijk aanpakken

Binnen het Europese handelssysteem ETS zijn concrete doelen afgesproken, zoals een reductie van 43 procent broeikasgassen in 2030. Klimaatverandering vraagt een gezamenlijke aanpak. “Liefst wereldwijd, maar ten minste op Europees niveau”, stelt Broekhof.

“De chemie kan veel bijdragen om klimaatdoelen te halen. Niet alleen door energiebesparing, maar ook door te kijken naar grondstoffen die de sector gebruikt om chemische bouwblokken te maken. Voor het omzetten van moleculen is veel energie nodig, maar het elektrificeren van processen is nog niet voldoende. Er moet ook oog zijn voor grondstoffen in de keten.”

Momenteel zijn olie en gas de meest gebruikte grondstoffen. Er wordt gekeken naar bijvoorbeeld de inzet van groene waterstof en biomassa. “Ook komt er steeds meer aandacht voor circulariteit en hergebruik. Er is veel innovatie op dat gebied en er is een wereld te winnen.”

De hele keten

Uiteraard staat de chemische industrie niet op zichzelf. Niet alleen de sector, maar de hele keten moet verduurzamen. De chemie kan juist ook oplossingen bieden aan andere sectoren om te verduurzamen. Dan moet er wel iets gebeuren, verklaart Broekhof.

“Inzet van biomassa kan alleen stijgen als het beschikbaar is ‘aan de voorkant’ en er een vraag is naar biobased producten ‘aan de achterkant’. Beide zijn nu nog beperkt. Dit soort vraagstukken liggen nu op tafel in het klimaatakkoord.

De inzet van de chemische sector is om meer innovatie van de grond te krijgen. We moeten onze inzet op innovatie, pilots en demo’s minimaal verdriedubbelen.”

De VNCI presenteerde eerder dit jaar de routekaart 2050, met een visie om negentig procent CO2 te besparen in zowel energie als grondstofgebruik. “Een behoorlijke opgave”, aldus Broekhof.

“Maar we zien mogelijkheden en deze worden breed onderschreven door onze leden. Dat zijn wel vaak grote internationale bedrijven. Zij zien dat Nederland nu pioniert met CO2-reductie. Wij zien uiteraard graag dat investeringen van die bedrijven in Nederland plaatsvinden. Bovendien kan de industrie het niet alleen. Iedereen gebruikt immers elke dag de producten uit de industrie. Dat vraagt ook keuzes vanuit de maatschappij.”