Het nieuwe validatiestelsel is grotendeels gebaseerd op een zelfregulerende markt en moet gelden voor zowel fondsenwervende instellingen en vermogensfondsen. In de filantropie gaat jaarlijks een kleine vijf miljard om. De sector heeft een prominenter wordende plaats in de samenleving en meer taken en verantwoordelijkheden waar de overheid terugtrekkende bewegingen maakt.

Tijd voor een nieuw stelsel, ook met het oog op het publieksvertrouwen in goede doelen. Het nieuwe validatiestelsel moet niet alleen gedragsregels in de sector verbeteren en zorgen voor een hogere kwaliteit van het toezicht, ook dient het een betere informatievoorziening voor het publiek op te leveren. Een modernisering van de huidige werkwijze kortom, waarbij de filantropie zijn werk beter moet doen en ook de innerlijke drive moet krijgen om dat zo te houden.

Transparantie als middel

De wil hiertoe komt voor een deel uit de branche zelf. “Er bestaat een behoefte aan betrokkenheid bij wet- en regelgeving, duidelijkheid, verantwoordelijkheid en zichtbaarheid”, vertelt Rien van Gendt, voorzitter van de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie, en voorzitter van de Vereniging van Fondsen in Nederland (FIN). Daarbij ziet de sector transparantie niet als doel, maar als middel dat kan bijdragen aan meer vertrouwen onder het Nederlands publiek. Bij een grote groep liep dat een deuk op als gevolg van incidenten zoals grepen uit de kas en discussies over al dan niet te hoge salarissen.

“Nederlanders zijn te verdelen in mensen met een bijna blind vertrouwen in een goed doel, in mensen met geen enkel vertrouwen en in twijfelaars. Ten minste bij die laatste groep wil de sector het vertrouwen verstevigen en vergroten, al is het er beter mee gesteld dan vaak wordt gedacht.

Uiteraard moeten we schadelijke incidenten zo veel mogelijk beperken”, zegt Cees Breederveld. Hij is voorzitter van het Centraal Bureau Fondsenwerving, het keuringsinstituut dat de betrouwbaarheid van goede doelen beoordeelt.

Hoewel publieksvertrouwen bij vermogensfondsen een veel kleinere rol speelt, is transparantie ook voor hen van belang. Het stelt hen onder meer in staat om beter partnerships aan te gaan, vertelt Van Gendt. “Al is transparantie niet altijd verstandig. Soms worden vermogensfondsen ingezet voor onconventionele doelen, en is het bijvoorbeeld onveilig als uitkomt naar wie donaties precies gaan.”

Geen taaie kost

Cruciaal in een versteviging van het publieksvertrouwen door fondsenwervende instellingen, is dat zij volstrekt helder zijn over waar hun geld precies aan wordt besteed, zegt Jan Jaap de Graeff, voorzitter van de VFI, brancheorganisatie van goede doelen. “Hoewel de burger erop moet kunnen vertrouwen dat bestuursleden ordentelijke salarissen ontvangen die niet de pan uit rijzen, is het volgens mij minstens zo belangrijk dat hij een beter inzicht heeft in de activiteiten van een goed doel en het effect ervan. Dat is essentiëler dan hoe goed het bestuur in elkaar zit.”

Breederveld beaamt dit en ziet in het veld dat de branche als zodanig te weinig informatie verschaft over wat er met ontvangen gelden gebeurt. “Een financieel rapport van een accountant is niet voldoende. Te vaak is er sprake van taaie kost en is de weg naar meer informatie over een organisatie een moeilijk begaanbare. Er is meer duidelijkheid vereist, meer gegevens die het publiek duidelijk maken welke impact de verleende hulp heeft.”

Ook Hanneke Lenkens, directeur van de brancheorganisatie Instituut Fondsenwerving (IF), denkt dat de focus moet liggen op wat de filantropie doet. “Natuurlijk moeten kosten worden verantwoord, maar de nadruk moet liggen op communicatie over wat goede doelen bereiken. Het validatiestelsel kan hierin leiden tot een verbeteringsslag. Daarnaast heeft deze groeiende sector behoefte aan kwalitatief goed en modern toezicht.”

Zelfregulerende markt

Een van de grootste verschillen met de huidige situatie is de regulering die in de toekomst grotendeels uit de branche zelf moet komen. Tot op heden was het aan het keurings-instituut CBF om normen op te stellen voor goededoelenorganisaties en hen eventueel een keurmerk te verlenen. Het veld kiest in het nieuwe stelsel zelf die normen, waarop het CBF toetst. Uiterste sanctie bij in gebreke blijven is het verlies van de status Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI).

De gesprekspartners zien zelfregulering als een verbetering. “Er ontstaat een common practice en een op maat gemaakte regelgeving in plaats van een van hogerhand opgelegde”, vindt van Gendt. “Cruciaal is uiteraard wel dat het systeem hanteerbaar is.”En daar zit hem de crux. Filantropische instellingen variëren namelijk enorm in aard en omvang waardoor het validatiestelsel differentiëren naar de betreffende organisatie een must is, voegt de Graeff toe. “Kleinere goede doelen kunnen bijvoorbeeld veel moeilijker inzicht verschaffen over de impact van hun werkzaamheden dan grotere, dus moet daar in de normen wel rekening mee worden gehouden.”

Goede doelen die zijn aangesloten bij de VFI zijn meer bekend met regel-geving en gedragscodes dan vaak het geval is bij de (merendeels kleinere) instellingen die het IF vertegenwoordigt, voegt Lenkens toe. “Vanwege hun ANBI-status zijn ze wel verplicht door de fiscus om openheid van zaken te geven en gegevens te publiceren, maar wat mij betreft mag die transparantie een omslag krijgen van passief naar actief. Daar kan het validatatiestelsel bij helpen.”

Knelpunten

Deelname aan en een werkwijze volgens het nieuwe validatiestelsel vindt idealiter geheel plaats op basis van vrijwilligheid, menen de brancheverenigingen. “Het validatiestelsel moet de hele sector omvatten en –als het niet anders kan- afdwingbaar zijn door een algemeen verbindend verklaring van de overheid. Daar ligt nog wel een politiek debat tussen”, zegt de Graeff.

Een waarschuwing vanuit het CBF bij monde van Breederveld luidt dat een nieuw stelsel niet moet omvallen van de bureaucratie. Eenvoud is van belang om oplopende kosten te voorkomen en er moet tempo zitten in de ontwikkeling.

Over de precieze invulling van het nieuwe validatiestelsel zijn de partijen nog in gesprek. Wel hebben ze de hoop dat het nieuwe systeem eventuele misstanden beperkt. De Graeff: “De kans hierop wordt kleiner, en het is mijn stellige overtuiging vanuit 13 jaar ervaring dat de filantropie een bonafide sector is.” Lenkens besluit: “Hoewel we geleerd hebben van incidenten krijgen we ze nooit helemaal de wereld uit. Maar ik heb de hoop dat het publiek ze ook identificeert als wat ze zijn: incidenten.”