Theo Schuyt
Hoogleraar Filantropische Studies aan de Vrije UniversiteitAmsterdam; Bijzonder hoogleraar Filantropie en Sociale Innovatie aan de Universiteit Maastricht; Partner Charistar

Zowel vanuit organisaties als op eigen initiatief. Nederland geeft en is vrijwilliger. Het is een trend. Is het voeren van campagne en die extra aandacht wel nodig als bijna iedereen hiermee bezig is?

Het antwoord luidt ‘ja’, want de betekenis en het groeiende belang van al deze maatschappelijke inzet behoeft nadere toelichting en vraagt om diepgaander analyse. Er is iets bijzonders aan de hand: een nieuwe maatschappelijke onderstroom wordt zichtbaar.

Maar wat zijn goede doelen precies? Dat zijn organisaties die hun donateurs vragen om geld, tijd of een nalatenschap voor bijvoorbeeld de bestrijding van een ziekte of het bevorderen van cultuur of wetenschappelijk onderzoek. Wanneer men geeft, dan is het omdat het doel aanspreekt en men betrokkenheid wilt tonen.

Daarnaast worden steeds meer acties voor een goed doel door particulieren zelf opgezet en uitgevoerd. ‘Do it Yourself’ (DIY) is daarin een nieuwe tendens. Particulieren willen het verschil maken en nemen daar zelf verantwoordelijkheid voor. Dit maakt organisaties en particuliere acties met betrekking tot goede doelen uitingen van particulier initiatief.

DIY is een begrip dat opnieuw geijkt moet worden omdat de dagelijkse praktijk daartoe uitnodigt. Particulier initiatief is de vrijwillige inzet voor het algemeen nut. In Angelsaksische landen wordt deze inzet “philanthropy” genoemd. Denk hierbij aan het bekende voorbeeld van de Bill en Melinda Gates Foundation, of Pieter Teyler die in Haarlem aan het eind van de achttiende eeuw met eigen geld een Kenniscentrum vestigde, (het huidige Teylersmuseum), waar ook onze beroemdste natuurkundige Lorentz een werkplek kreeg.

Veel algemeen nuttige doelen worden in Nederland via de overheid gefinancierd of gereguleerd, met sociale zekerheid, onderwijs en gezondheidszorg als belangrijkste doelen. De overheid regelt deze voorzieningen op basis van beleid dat tot stand komt volgens de regels en principes van de politieke democratie. Particulier initiatief werkt echter anders en wel volgens de regels en principes van directe, sociale democratie.

De filantropische sector, (die van de goede doelen), wordt van groter maatschappelijk belang, waarmee tevens de verplichting naar maatschappelijke verantwoordelijkheid groeit. Er wordt hard gewerkt aan een validatiestelsel voor de sector: de goede doelen organisaties moeten gecertificeerd worden en het publiek moet erop kunnen vertrouwen dat deze organisaties betrouwbaar zijn en dat het geld goed besteed wordt.

Daarvoor zijn, en worden er gedragscodes gemaakt. Ook de informatievoorziening moet op orde zijn; objectief en betrouwbaar. Behalve de vele goede doelenorganisaties zitten non-profit instellingen ook niet stil waar het om ‘geven’ gaat. Onder andere Universiteiten, culturele- en zorginstellingen, ziekenhuizen en scholen zijn naast de overheidsfinanciering op zoek naar extra inkomstenbronnen. Hoewel dit in eerste instantie de markt was, is nu ook filantropie als inkomstenbron ontdekt. Voor veel instellingen is dit nieuw. Zij zullen hun interne organisatie, cultuur en structuur daarop moeten afstemmen. Net als in de tijden dat ‘de markt’ door hen moest worden ontdekt. Dat geeft veel onzekerheid. Er is een hoop te doen.

Welke maatschappelijke onderstroom wordt zichtbaar? Maatschappelijk betrokken burgers, fondsen en bedrijven laten van zich horen, terwijl de overheid – de grootste financier van algemeen nuttige voorzieningen – niet alles meer wil en kan bekostigen. Deze twee bewegingen treffen elkaar nu. De Nederlandse verzorgingsstaat verkeert in een fase van diversificatie. Naast de markt en de belangrijke rol van de overheid, (die zich nog moet leren verstaan met lokaal particulier initiatief), komt er meer ruimte voor die maatschappelijk betrokken particuliere initiatieven en een volwassen filantropische sector.