Er is onder andere betere afstemming nodig tussen talent, kapitaal en markt, stellen Frans Nauta (Climate-KIC), Ad van Wijk (TU Delft) en Hans van der Spek (FME). Waar liggen de kansen en hoe zijn ze te benutten?

De ontwikkeling van nieuwe bedrijven stokt vooral na het maken van een prototype, stelt Hans van der Spek, programmadirecteur CleanTech bij branche-organisatie FME, gevraagd naar de huidige stand van zaken binnen cleantech. “Het ontbreekt vaak aan opschaling. We moeten ons meer inzetten jonge bedrijven door die lastige fase heen helpen.” Ad van Wijk, buitengewoon deeltijdhoogleraar Future Energy Systems aan de TU Delft, wijst op beperkingen door omgang met human capital.

Daarvoor is geduldiger venture capital nodig en dat is er momenteel nog niet in ons land.

Een groot deel van de technische studenten komt uit het buitenland. Er wordt veel in hen geïnvesteerd en op het moment dat ze ons ook weer wat kunnen opleveren sturen we ze vaak terug naar hun moederland. “Een goede ondernemer die het met een eerste project niet helemaal redt, mag weer vertrekken, terwijl hij in een tweede rondje vaak juist wel zal slagen.”

Frans Nauta, directeur ondernemerschap bij Climate-KIC, dat cleantech startups begeleidt, spreekt op zijn beurt over een grotere behoefte aan kapitaal. Cleantech-startups vragen bijvoorbeeld om een grotere investering dan IT-startups omdat hun terugverdientijd langer is. Daarvoor is geduldiger venture capital nodig en dat is er momenteel nog niet in ons land. “In de VS zie je dat er ook later in het proces wordt geïnvesteerd”, aldus Nauta.

Het potentieel is er

De drie heren tonen zich kritisch, maar benadrukken dat Nederland een goudmijn is op het gebied van cleantechkansen. Er is veel potentie in bijvoorbeeld zonne- en windenergie, energieopslag en biobased processen. Nauta: “De meeste teams die wij begeleiden komen uit Nederland. Ook als een eerste businesscase niet succesvol is, ontwikkelen ze zich in een later stadium tot iets succesvols.” Cruciaal voor succes is ook de aanwezigheid van een goede thuismarkt.

Volgens Nauta tonen venture capitalists zonder goede thuismarkt geen interesse. Van Wijk trekt de vergelijking tussen wind- en zonne-energie. Bij die eerste komen technologie en bedrijvigheid vooral uit Europa, bij die tweede is China overheersend. De thuismarkt voor windenergie is in een aantal Europese landen goed en langdurig gestimuleerd Voor  zonne-energie is dat veel wisselender geweest, waardoor de zonne-energie industrie ontwikkeling niet goed van de grond is gekomen.

Bij de Chinezen was dit anders. Van der Spek herkent bij verduurzaming van woningen. “De Franse regering heft geen rente op financiering van verduurzaming van woningen. Daar hebben ze grote stappen door kunnen zetten.” De overheid speelt dan ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van cleantech. “Er is vooral behoefte aan stabiliteit in regelingen”, vat Nauta samen. “Met het Energieakkoord is daar een begin mee gemaakt, maar dat is niet toereikend.”

Van der Spek: “Het Energieakkoord heeft nog een aantal witte vlekken. Die moeten bij de herijking in 2016 goed ingevuld worden. Energiebesparing is zo’n witte vlek. Daar worden te weinig meters gemaakt.” Ook wijst hij op het belang om Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) uit de duinen van Petten weg te halen en die in een bestaand Energie ecosysteem te plaatsen. Waarbij TU Delft de enige logische plek is, vult
Nauta aan.

Commerciële blik richting innovaties

Waar liggen de oplossingen voor de genoemde uitdagingen? Nauta ziet heil in het opnemen van ondernemerschap als bijvak in de eerste twee studiejaren. Van der Spek stemt in, maar ziet studenten dan graag ook daadwerkelijk bij bedrijven aan de slag gaan. “Momenteel komen studenten pas in de laatste maanden van hun master bij bedrijven binnen, waardoor ze vooral vanuit de theorie blijven denken.”

Steeds meer van hen vestigen zich in Londen en Berlijn en Amsterdam kan de volgende in de rij zijn.

Nauta pleit ook voor een andere verdeling van funding. Er wordt volgens hem veel geïnvesteerd in wetenschappelijk onderzoek en maar weinig in de commercialisering daarvan, terwijl dit laatste de economie juist geld oplevert. “Een procent van het NWO-budget zou al voldoende zijn”, aldus Nauta. Van Wijk vult aan: “Onderdeel van de definitie van een innovatief product is dat het het goed doet op de markt. Overheid en venture capitalists kunnen meer samen optrekken om subsidievoorstellen en ondernemersplannen te beoordelen.” Dat Amerikaanse venture capitalists met afvlakking van de thuismarkt op zoek zijn naar beter rendement biedt extra kansen. Steeds meer van hen vestigen zich in Londen en Berlijn en Amsterdam kan de volgende in de rij zijn.

Als laatste wordt gesproken over een tweeledige rol van de overheid. Ten eerste door regels sneller aan te passen aan de nieuwe realiteit. Bijvoorbeeld op gebied van energieopslag en flexibilisering moeten nog slagen worden gemaakt. Zo mag een Regionale Netbeheerder wel een batterijopslag in het elektriciteitsnet opnemen maar de energie die is opgeslagen niet op de markt brengen. Ten tweede kan de overheid (vaker) fungeren als launching customer.

Institutionele investeerders die achter grote cleantech projecten zitten, laten vaak alleen beproefde technieken toe –in verband met eisen van verzekeraars – terwijl nieuwe innovaties juist behoefte hebben aan praktijkervaring. Van Wijk: “In windparken is het erg interessant om op één of twee plekken een nieuwe molen bouwen om ze verder te kunnen ontwikkelen. De overheid is eigenlijk de enige die dat kan financieren.”