Bart van den Hurk

Bart van den Hurk
R&D Manager KNMI

Belangrijke aandachtspunten zijn de zeespiegel, waterbeschikbaarheid en de afvoer via grote rivieren, legt Van den Hurk uit. “De schade doordat er meer of juist een stuk minder regen valt, neemt toe. Hoger gelegen gebieden zoals Drenthe hebben soms te weinig water voor landbouw, wat tot behoorlijke economische schade kan leiden.”

Daarnaast is er ook steeds meer aandacht voor temperatuurstijgingen in de stedelijke omgeving. “Vaker voorkomende hoge nachtelijke temperaturen in steden zorgen dat mensen minder goed kunnen herstellen van de hitte overdag.”

Risicoanalyses

Klimaatverandering is in Nederland al duidelijk merkbaar, stelt Van den Hurk. De winters kennen minder koude dagen en ook het aandeel extreme neerslag in het totaal is groter dan voorheen. Op satellietplaatjes van Europa is bovendien te zien dat de vegetatie verandert: het groeiseizoen wordt langer. “Dat heeft weer zijn invloed op de trek van vogels en vissen. Er zijn veel ecologische indicatoren”, verklaart Van den Hurk.

Om hiermee om te gaan is eind vorig jaar de klimaatadaptatiestrategie ‘Aanpassen met ambitie’ van start gegaan, waarin de risico’s voor ons land in kaart zijn gebracht. In de loop van dit jaar wordt hierop een uitvoeringsprogramma opgesteld met concrete acties.

Wel wordt er al gewerkt aan de integratie van water en klimaat bij ruimtelijke (her)ontwikkeling. Zo is er veel interactie met het Deltaprogramma en raken steden en provincies steeds sterker betrokken. “Er zijn ook steeds meer bedrijven die risicoanalyses laten uitvoeren. Bijvoorbeeld om te kijken of de distributie van voedsel in gevaar komt”, aldus Van den Hurk.

Energiebalans herstellen

De betrokken partijen maken veelal gebruik van KNMI’s klimaatscenario’s, waarin geschetst wordt hoe ons klimaat zich kan ontwikkelen. Van den Hurk ziet ze als een startpunt. In de praktijk zijn veel dingen echter niet planbaar. Het is dus bijzonder belangrijk om frequent de thermometer erin te steken.

De oceanen reageren heel traag op veranderingen in de energiebalans, dat duurt jaren.

“Niet alleen om te kijken of klimaatverandering nog voort gaat, maar vooral om te kijken of de maatregelen nog wel afdoende zijn. Denk aan zandsuppleties langs de kust, normering voor dijken en regels voor de waterverdeling onder droge omstandigheden.”

Om die reden wordt er momenteel in samenwerking met het Deltaprogramma, waarmee een grote wisselwerking is, ook een signaalgroep opgericht om periodiek te bekijken of de kennis en ontwikkelingen nog wel up to date zijn. “Monitoring en evaluatie moeten we erg serieus nemen”, aldus Van den Hurk.

Dit vraagt volgens hem om een andere manier van werken. Hij haalt het voorbeeld aan van recent onderzoek waaruit blijkt dat de stabiliteit van de ijsmassa op de Zuidpool in gevaar komt als het zee-ijs wat er omheen ligt verbrokkelt. “Dat is een moment om te kijken of je nog wel naar de juiste dingen kijkt.

Het klimaatsysteem is grillig en persistent. De oceanen reageren heel traag op veranderingen in de energiebalans, dat duurt jaren. Het duurt zeker tot na 2050 totdat we duidelijk wat gaan merken van de maatregelen die we nu nemen om de opwarming tegen te gaan.”