Derk Loorbach
Professor sociaal-economische transities aan de Erasmus Universiteit Rotterdam

Zo meent Derk Loorbach, professor sociaal-economische transities aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. “Ook de jaren negentig kenden een transitie, waarin het afvalbeleid overging van storten naar verbranden.

Onder grote maatschappelijke druk ontwikkelden het systeem en beleid zich meer richting verbranding, hoewel ook toen al preventie en hergebruik belangrijke pijlers vormden.

Nederland investeerde vervolgens fors in een efficiënte afvalverbranding en er trad een economische opschaling op, waarin aan afval meer economische waarde werd toegedicht en er een (inter)nationale afvalmarkt ontstond. Dat heeft geleid tot een uiterst efficiënt afvalmanagement, maar wel gebaseerd op de verbranding van waardevolle grondstoffen.

De transitie die zich nu aandient gaat niet over de verbetering van het bestaande, maar vertrekt vanuit hergebruik en preventie en innovaties hierin. Dat impliceert een fundamentele omslag waarin verbranding en downcycling niet meer passen, en dat levert steeds meer spanningen op met het bestaande systeem.

Van belang is wat we precies verstaan onder een circulaire economie. Is het voldoende om alle waardevolle stoffen eruit te halen voor we afval verbranden? Of moet je in het begin al voorkomen dat afval ontstaat? Die verschillende visies botsen.”

Andere kijk

“Neem bijvoorbeeld gemeenten. Niet zelden sluiten ze jarenlange contracten met afvalinzamelaars – die gebaat zijn bij zo veel mogelijk afval - waarin de belofte luidt van een gegarandeerde hoeveelheid afval. Wordt die niet nagekomen, dan volgen er boetes.

Ze maken het de burger makkelijker door vaker of dichterbij gescheiden afval op te halen, dan restafval.

Logisch dat er bij hen daardoor nauwelijks incentives zijn om afvalmanagement anders aan te pakken en we dus vastzitten in een systeem dat behoefte heeft aan afval. Toch zijn er ook gemeenten die beter presteren en sturen op minder afval.

Ze maken het de burger makkelijker door vaker of dichterbij gescheiden afval op te halen, dan restafval. Sommige gemeenten belonen burgers zelfs voor gescheiden afval. Dergelijke initiatieven leiden ertoe dat een inwoner van de gemeente Horst aan de Maas bijvoorbeeld, goed is voor twintig kilo restafval per jaar. In Rotterdam liggen de zaken anders; daar is dat 330 kilo. Dat ligt aan de schaalgrootte, maar een andere kijk op afvalmanagement vereist ook visionair bestuur.”

Eerlijkere economie

“De botsing tussen de twee visies is fascinerend om te zien. Maar tegelijkertijd ben ik ook optimistisch. Op de langere termijn wordt het namelijk onvermijdelijk om mee te gaan in de transitie naar een circulaire economie. Hoewel Nederland nog aan het begin van de leercurve staat, zijn er in Nederland al ontzettend veel innovatieve ideeën.

Mijn pessimisme schuilt meer in de snelheid waarmee die ontwikkeling zich voltrekt en hoe de verdienmodellen vorm moeten krijgen. Nederland is op dit moment nog steeds koploper in een efficiënte afvalverbranding en importeert nu nog afval uit het buitenland om dit zo te houden. Maar daarnaast doet ons land het heel goed op het gebied van hergebruik van glas en papier en zien we in toenemende mate initiatieven om andere stromen ook grootschalig te gaan hergebruiken.

Uiteindelijk zal de circulaire economie dan ook meer vaart krijgen. Met de nodige gevolgen. Tot op heden wordt de manier waarop we omgaan met grondstoffen economisch en maatschappelijk verkeerd gewaardeerd. Economisch, omdat afvalmanagement dankzij subsidies goedkoper lijkt dan het is.

En maatschappelijk,
omdat veel van de maatschappelijke schade die ons consumptie- en productiesysteem oplevert buiten het zicht is doordat bijvoorbeeld elektronica elders wordt gedumpt.
Als de circulaire economie vorm krijgt ontstaat er een eerlijkere economie, één die minder nadelige effecten heeft op andere delen van de wereld en leidt tot ondernemerschap en innovaties. Meer eigen verantwoordelijkheid zorgt dat er creativiteit ontstaat.”