Johan van den Hout

Gedeptueerde Provincie Noord - Brabant

Van den Hout: “Het staat hier bij iedereen nog in het geheugen gegrift; de enorm zware hagel- en regenbuien in juni 2016. Natuurlijk komt hevige regenval vaker voor, maar dit was heel extreem. Het zorgde voor miljoenen aan schade en voor maatschappelijke onrust. Het gaf direct een gevoel van urgentie, we moeten ons beter voorbereiden.

Er is sinds dit jaar een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie waarin aangegeven moet worden welke (ruimtelijke) maatregelen er in Nederland nodig zijn waardoor nadelige effecten minstens beheersbaar blijven. Wij, de vier Brabantse waterschappen en een aantal Brabantse gemeentes namen, samen met de Limburgse partners, het voortouw bij de uitwerking van dit plan voor Zuid-Nederland.

Het is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert.”

Robuuster water

“In 2020 moeten overheden zo ongeveer wel weten hoe ze de veranderende klimaatomstandigheden concreet gaan opvangen. Dus er is haast geboden met het bedenken van plannen om onze woon- en leefomgeving bestand te maken tegen extreme weersomstandigheden. Er zijn binnen de provincie gelukkig al veel verschillende concrete projecten, deels in onderzoek en deels in uitvoering.

Eén van die projecten is de stresstest, waarbij wordt gesimuleerd dat er in korte tijd veel regen valt of juist dat het lang droog of warm is. Vervolgens kan worden vastgesteld waar de grootste knelpunten liggen, zodat daar oplossingen voor gevonden kunnen worden.

“In 2020 moeten overheden zo ongeveer wel weten hoe ze de veranderende klimaatomstandigheden concreet gaan opvangen.

Gemeentes en waterschappen zijn ook al volop bezig met de klimaatadaptatie, onder andere door beekdalen robuuster te maken en beken de natuurlijke meanderende loop terug te geven. Soms moet een deel van de landbouw daar plaats voor maken of anders ingericht worden. Een bietenveld langere tijd onder water is geen optie, maar voor grasland is het niet zo erg. En we proberen alles zoveel mogelijk te combineren, want natuur en gezondheid zijn vanzelfsprekend ook belangrijk. We doen wat we kunnen doen.”

Samenwerking

In het project Ravenstein-Lith onderzochten waterschap Aa en Maas, de gemeente Oss en de provincie Noord-Brabant samen de mogelijkheden om de waterveiligheid te verbeteren tussen Ravenstein en Lith.

Dat is nodig om alle inwoners en bedrijven van Oss en ’s-Hertogenbosch en omgeving te beschermen tegen overstroming vanuit de Maas. “Het gaat hierbij om dijkversterking te combineren met maatregelen die zorgen voor meer ruimte voor de Maas en ook kansen biedt voor een regionale ontwikkeling van de economie, het toerisme en natuur.”

Uitdaging

Van den Hout stelt dat de grootste uitdaging in de steden ligt. “De helft van de provincie is verstedelijkt en overtollig water werd altijd afgevoerd naar het buitengebied. Nu blijkt dat dit systeem niet meer werkt, het zorgt voor problemen daar. De afvoer van water uit de steden moet dus vertraagd worden en tegelijk moeten we voorkomen dat er wateroverlast in de steden ontstaat.

Dat gaan we doen in zogenaamde ‘uitloopgebieden’, opvangbekkens die -als er geen water in staat – toch een zinvolle betekenis kunnen hebben. En waar veel verharding is, kunnen we zoeken naar mogelijkheden om onder die verharding een wateropslag te maken.”

Van den Hout benadrukt dat klimaatadaptatie niet door één partij geregeld kan worden. “Juist bij deze enorme maatschappelijke opgave gaat het erom dat we allemaal betrokken zijn, willen samenwerken en de schouders eronder zetten.

Juist bij deze enorme maatschappelijke opgave gaat het erom dat we allemaal betrokken zijn.

Overheden zoals provincies, gemeentes en waterschappen gaan samenwerken met woningcorporaties en burgers om gezamenlijk tot de beste oplossingen te komen. Wordt de regenwaterafvoer bijvoorbeeld ontkoppeld van het riool, dan kan dat van invloed zijn op het straatbeeld, waar dan de aanwonenden ook iets van moeten kunnen vinden. Het is belangrijk om iedereen erbij te betrekken, want het gaat ons allemaal aan.”

Integrale plannen

Plannen van de toekomst moeten dus uitgaan van een integrale aanpak. Niet alleen oplossingen verzinnen voor de berging van overtollig water, maar dit koppelen aan natuur- en landbouwopgaven, gebiedsgerichte ontwikkelingen, elkaar beter leren kennen, stedenbouw en gezondheid.”

Een mooi voorbeeld daarvan is Cuijk. Hier werken overheden, burgers en bedrijven samen om het Land van Cuijk klimaatbestendiger te maken. De uitdaging is complex; tegengaan van verdroging, toenemende wateroverlast en hittestress in de kernen.

Hierbij hanteert men een drie-sporen-beleid voor klimaatadaptatie: op elk schaalniveau en dwars door vakdisciplines en organisaties heen. Een aanpak die past bij het gebied en herkenbaar is voor de mensen die ermee werken.

Dit begon ooit met een klimaatworkshop met een aantal enthousiaste ambtenaren en het groeide uit tot een samenhangend geheel van projecten waarin overheden, burgers en bedrijven zich inzetten voor een klimaatbestendiger Land van Cuijk in 2030.

Noord-Brabant wil vooruit

De aanpak van de Provincie is onderscheidend te noemen. “Omdat we de urgentie zo goed voelen, zijn we snel. En deze provincie kent al heel lang een samenwerkingscultuur.

Overheden werken al langer samen met elkaar en met andere partijen, we kennen elkaar al goed.  In andere provincies is dat wellicht wat minder. Het belangrijkst is dat we met elkaar nog veel integraler gaan werken. Dat vraagt ‘omdenken’ van de eigen organisatie. De financiële stromen zijn hier echter nog niet op afgestemd, er is ook een integrale financiële stroom nodig.”

Anders benaderen

Bij het nadenken over plannen en mogelijke probleemoplossingen maakt de Provincie gebruik van ‘Design Thinking’. Design Thinking betekent eigenlijk: op een frisse, onbevangen, creatieve manier te werk gaan. Out of the box. En daarbij zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de beleving van alle betrokkenen. Als burgers onderdeel zijn van de oplossing en zij het probleem niet herkennen, gaat er iets mis.

Design Thinking betrekt burgers actief waardoor er meer begrip, steun en actiebereidheid is om zich aan te passen en maatregelen te nemen die de negatieve gevolgen van klimaatverandering beperken of zelfs ombuigen.

Van den Hout: ‘We zijn van oudsher gewend om problemen op te lossen door vanuit kennis voorstellen te ontwikkelen. Die kunnen dan worden afgewogen in de politieke arena en vervolgens worden uitgevoerd. In de waterwereld domineert het ingenieursdenken, rekenen, modellen maken. Maar op het moment dat we burgers meer willen betrekken bij de gevolgen van klimaatverandering voor hun leefomgeving is er echter iets anders nodig.”

Mede om die reden is de provincie Noord-Brabant al enkele jaren actief tijdens de Dutch Design Week in Eindhoven. Van den Hout: ‘Dat is een heel inspirerende omgeving.

Als burgers onderdeel zijn van de oplossing en zij het probleem niet herkennen, gaat er iets mis.

Als je een designer als ‘unusual suspect’ met mensen laat praten over wat zij belangrijk vinden bij oplossingen voor de klimaatverandering, ontstaat er veel meer draagvlak. En daarnaast is de frisse blik van een designer goed voor de esthetische vormgeving én voor creatieve oplossingen.

Een voorbeeld: wij denken nu als plannenmakers na over hoe we in tuinen tegels kunnen vervangen door gras, bloemen, planten en struiken. Maar we houden er daarbij soms te weinig rekening mee dat die tuinen van mensen zijn.

Dat het gaat om problemen die we collectief voelen, maar waar de oplossingen liggen bij individuen die er niet altijd direct iets voor terug krijgen. In de huidige aanpak van overheden ontbreekt vaak de menselijke maat en de aansluiting bij de leefwereld en beleving van mensen zelf.

Dat element willen we in dit project toevoegen aan ons huidige repertoire van beleid maken. De vraag is dus niet hoe we burgers kunnen overtuigen of hoe we het beter uit kunnen leggen. De vraag is: wat betekent klimaatadaptatie voor burgers hier en nu en hoe kunnen wij aansluiten bij die betekenis?”